nederlands     deutsch     english

Menu


Toelichting

Bestelauto met verhoogd dak (combi en kleine bestelauto) en middelgrote bestelauto zonder verhoogd dak (ruimtewagen, minibusje en terreinauto) (0.2)

Afbeelding 2a

Afbeelding 2b

Deze bestelauto is niet BPM-plichtig indien aan de volgende eisen wordt voldaan.

Ramen in zijwanden laadruimte
In de rechter zijwand van de laadruimte mag een (1) raam zijn aangebracht.

  • Aan de plaats en de afmetingen van dit raam zijn geen nadere eisen gesteld.
  • Het raam mag kunnen worden geopend.
  • Ramen in de achterportieren, die zijn gescheiden door middel van een spijltje worden als een(1) raam aangemerkt.
  • Een (1) frame waarin zich ramen bevinden waarbij een of meerdere van deze ramen kunnen schuiven, wordt als een (1) raam aangemerkt.

Indien er in de zijwanden van de laadruimte meer ramen aanwezig zijn, moeten deze ramen geheel worden verwijderd en worden vervangen door panelen van ondoorzichtig materiaal. De panelen moeten rechtstreeks aan de carrosserie worden gelast of gelijmd. Het is niet toegestaan om panelen te plaatsen in bestaande raamrubbers of aan de carrosserie vast te zetten met popnagels, klemmen of schroeven. Ventilatieroosters in de zijwanden zijn toegestaan voorzover er van buitenaf niet doorheen kan worden gekeken.

Fiscaal blok
Het fiscale blok is een denkbeeldig blok dat aan de volgende eisen moet voldoen.

Afmetingen (zie gearceerde gedeelte):

Lengte x Hoogte x Breedte
125 x 98 x 20 cm

Plaatsingseisen fiscaal blok

  • De lengte moet worden gemeten vanaf het meest naar achteren gelegen deel van de vaste scheidingswand.
  • Het fiscaal blok hoeft niet door de deur naar binnen te kunnen.
  • Het fiscaal blok moet in de laadruimte passen waarbij de deur(en) moet(en) kunnen sluiten.
  • Het fiscaal blok moet rechtop in langsrichting kunnen staan.

Scheidingswand tussen zit- en laadgedeelte
De scheidingswand tussen het zit- en laadgedeelte moet voldoen aan de volgende eisen.

Hoogte scheidingswand
Het hoogteverschil X tussen cabine en laadruimte bepaalt of een volledige scheidingswand moet worden aangebracht of dat kan worden volstaan met een lage scheidingswand. Deze maat X wordt gemeten tussen beide hoogste punten in de dagopening van de (voor)deuren en het dak van de laadruimte. Deze afstand wordt gemeten over tenminste 20 cm van de laadruimte.

Indien de maat X k 25 cm dan is een lage scheidingswand toegestaan met een minimale hoogte van 30 cm. De hoogte van 30 cm moet worden gemeten vanaf de laadvloer.

In het geval van een lage scheidingswand mag de stoelleuning bij normaal gebruik over deze wand in de laadruimte steken.

Indien de maat X 25 cm dan moet een volledige scheidingswand zijn aangebracht.

Wijze van meten maat X
De maat X wordt als volgt gemeten:

  • Plaats de auto in een nagenoeg horizontale positie en meet loodrecht op de laadvloer;
  • Meet aan de buitenzijde het hoogste punt in de deuropening (dagmaat). Hierbij behoeven afwerkranden e.d. niet te worden verwijderd;
  • Meet aan de buitenzijde het hoogste punt van de laadruimte zonder spoilers, dakreling en later aangebrachte afneembare delen, ongeacht waar deze zich bevinden. Indien het dak zodanig bol is dat op het hoogste punt geen vlak deel met een breedte van minimaal 20 cm aanwezig is, moet worden gemeten vanaf het dak dat aan weerszijden op 10 cm afstand ligt vanaf het hoogste punt;
  • Bepaal het verschil tussen punt 2 en 3.

Materiaal en constructie scheidingswand
De scheidingswand moet:

  • zijn vervaardigd uit ondoorzichtig vormvast (niet-flexibel) materiaal; en
  • nagenoeg vlak zijn; en
  • uit één geheel bestaan waarbij meerdere delen die onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden als één geheel wordt aangemerkt.

Er mogen geen uitstulpingen in de scheidingswand en in andere carrosseriedelen worden aangebracht om het fiscale blok passend te maken. Een uitzondering hierop zijn de aanpassingen genoemd in het punt 'Modificaties'.

Indien een volledige scheidingswand verplicht is, is het toegestaan om de ruimte onder de zitplaatsen en eventueel daarboven bij de laadruimte te trekken. De laadruimte mag echter niet bereikbaar zijn vanuit de cabine. De zijkanten van de scheidingswand mogen worden afgerond om bevestiging aan de carrosserie mogelijk te maken.

Plaatsing scheidingswand
De scheidingswand moet onder een hoek van 90 graden ten opzichte van de lengte-as van het voertuig zijn geplaatst en mag zich maximaal 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel bevinden. Het stuur mag bij deze meting in de voor belanghebbende meest gunstige positie worden geplaatst.

De verplaatsingsmogelijkheden van de bestuurderszitplaats mogen worden beperkt waarbij de rugleuning in de meest gunstig stand voor de belanghebbende mag worden geplaatst (veelal rechtop).

Plaatsing scheidingswand (volledig schot) bij gesloten terreinauto's. Bij de plaatsing van een scheidingswand in een 5-deurs gesloten terreinauto (met lange wielbasis in verband met de benodigde lengte voor de laadruimte) is een afwijkende bevestiging toegestaan. Bij deze auto's doet zich namelijk het probleem voor dat indien de scheidingswand wordt bevestigd aan de B-stijl de achterdeuren onbruikbaar worden. Het is daarom toegestaan om de scheidingswand aan de C-stijlen te bevestigen zoals dit ook gebruikelijk is bij de meeste dubbele cabine uitvoeringen. In tegenstelling tot deze laatste groep is het echter niet toegestaan om de omgebogen zijden van de scheidingswand tevens als blindering aan te merken. De ruiten van de achterdeuren moeten volgens de voorschriften, zoals vermeld onder punt 'ramen in zijwanden laadruimte', worden geblindeerd voorzover deze ruiten zich ter hoogte van de laadruimte bevinden. De scheidingswand moet zoveel mogelijk over de volle breedte worden aangebracht.

Bevestiging scheidingswand
De scheidingswand moet:

  • onverbrekelijk zijn bevestigd. Dit houdt in dat de wand moet zijn gelast, gelijmd of met een uithardende kit moet zijn bevestigd; en
  • zoveel mogelijk rondom met de carrosserie zijn verbonden. Deze eis moet zodanig worden uitgelegd dat daar, waar de wand in contact is met de carrosserie de onverbrekelijke verbinding aanwezig moet zijn. De wand dient zo goed mogelijk aan te sluiten op de carrosserie. Het is niet de bedoeling dat de wand met opzet vrij wordt gelegd teneinde de bevestigingseis te ontduiken.

Indien het voertuig is voorzien van een hemel hoeft de scheidingswand ter plaatse niet te worden bevestigd. De hemel mag boven de scheidingswand doorlopen. De wand moet echter wel goed aansluiten.

Afwijkende bevestiging scheidingswand
Wanneer de vaste scheidingswand met een hoogte van 30 cm op een plaats wordt gemonteerd waar de vaste wand de zijbekleding raakt, mag de scheidingswand met een zijflap (verbindingsplaat) aan de B-stijl of aan de wielkasten worden bevestigd. Het is in dit geval eveneens toegestaan om de zijflap uit te voeren als schoor (hoekplaat) tussen scheidingswand en vaste laadvloer.

De bevestiging moet ook bij deze constructies door middel van lassen of lijmen zijn uitgevoerd.

Raam in scheidingswand
De scheidingswand mag zijn voorzien van een vast raam met een maximale hoogte van 40 cm dat op geen enkele manier kan worden geopend. Een maximale breedte van het raam is niet voorgeschreven (twee of meer ramen of een raam waarin een spijltje is aangebracht zijn eveneens acceptabel). Indien meer ramen boven elkaar zijn aangebracht mag de som van de hoogte van het glas van de afzonderlijke ramen niet meer bedragen dan 40 cm. Het raam mag in raamrubbers zijn gemonteerd.

Openingen in scheidingswand
In de scheidingswand mogen geen openingen zijn aangebracht tenzij aan het volgende wordt voldaan.

  • Indien de opening voor ventilatie is bedoeld, moet een rooster in de laadruimte zijn aangebracht. Dit rooster moet zijn gelast of gelijmd;
  • Indien de opening nodig is om met de hand de zijdeur vanaf de binnenzijde te kunnen sluiten, mag de opening niet groter zijn dan maximaal is benodigd;
  • Indien de opening nodig is om onderhoud aan het voertuig te plegen, moet deze opening kunnen worden afgesloten door een scharnierend of uitneembaar deel.
  • Indien de opening nodig is om de autogordel(s) op het originele bevestigingspunt te monteren. Het is uit fiscaal oogpunt toegestaan om een constructie op het bevestigingspunt in de laadvloer te monteren, die door de scheidingswand in de cabine steekt, waar vervolgens de gordel aan bevestigd wordt. Deze constructie wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van de blokmaat. Wanneer de constructie wordt afgedekt met een beschermkap die één geheel vormt met de scheidingswand, wordt voor het bepalen van de blokmaat uitgegaan van het meest naar achteren gelegen deel (de beschermkap of de uitstulping)

Modificaties

  • Indien het dak van het voertuig wordt aangepast om een lage scheidingswand van tenminste 30 cm te mogen plaatsen moet het dak aan de buitenzijde voorzover als mogelijk is over de volle lengte van de laadruimte en over de volle breedte van het voertuig zijn verhoogd. Indien het voertuig is voorzien van een dakrailing is het toegestaan om deze te handhaven en is het voldoende om in de breedte richting alleen het deel van het dak te verhogen dat tussen de beide rails is gelegen. Aan de binnenzijde mag het verhoogde dak zodanig worden afgewerkt dat een gat overblijft met een lengte van tenminste 70 cm en een breedte van tenminste 55 cm.
  • Indien het dak moet worden verhoogd omdat het fiscale blok anders niet in de laadruimte past, moet het dak aan de buitenzijde zoveel mogelijk over de volle lengte en breedte van de laadruimte worden verhoogd, zodat het blok van 125 x 98x 20 cm in de laadruimte past. Indien het voertuig is voorzien van een dakrailing is het toegestaan om deze te handhaven en is het voldoende om in de breedterichting alleen het deel van het dak te verhogen dat binnen de beide rails is gelegen. De dakuitsnijding moet een inwendige breedte hebben van tenminste 55 cm.
  • Indien de laadruimte uitsluitend aan de binnenzijde wordt aangepast, moet de aanpassing altijd zoveel mogelijk over de volle breedte van de laadruimte worden uitgevoerd. Er zijn situaties denkbaar, waarbij sloten of scharnieren van deuren of kleppen zich in het gebied van de aanpassing bevinden. Een uitsparing over de volle breedte is dan niet mogelijk. Deze richtlijn moet dan als volgt worden geïnterpreteerd:

Indien er zich in de uitsparing componenten bevinden, die onmisbaar zijn voor de bevestiging van de scharnieren of voor de sluiting van de klep of deur(en) mag de uitsparing ter plaatse van deze bevestiging worden onderbroken. De totale uitsparing die op deze manier ontstaat maakt deel uit van de laadruimte, doch behoeft niet zo groot te zijn dat het fiscale blok in elke afzonderlijke uitsparing kan worden geplaatst. Het is voldoende als het blok op een plek in de laadruimte past op voorwaarde dat er altijd sprake is van een vloeiende (doorlopende) lijn bij het samenstel van uitsparingen.

De uitsparing mag niet worden onderbroken door componenten, die niet noodzakelijk zijn voor de bevestiging of voor de sluiting van de deur of klep. Indien de uitsparing moet worden onderbroken in verband met een derde remlicht moet dit licht worden verplaatst.

Het is wel toegestaan om (achteraf) een binnenverlichtingsornament te monteren in de bekleding van de uitsparing, die aan de bovengenoemde voorwaarden voldoet. Dit ornament wordt bij de meting buiten beschouwing gelaten.

Ter verduidelijking wordt bovenstaande richtlijn aan de hand van een paar voorbeelden nader toegelicht. Aan genoemde voorwaarde wordt in ieder geval voldaan indien:

  • Een stuk uit een bovendwarsbalk is gehaald vanaf de verbinding met de dragende constructie van de zijwanden, voorzover de technische constructie dit toelaat in verband met de aanwezigheid van hoekverbindingstukken en scharnieren aan de uiterste zijden van deze balk, zie afbeelding A.

    Afbeelding A

  • Bij voertuigen met dubbele achterdeuren: de uitsparing zo dicht mogelijk bij de verbinding met de dragende constructie van de zijwanden begint. De uitsparing in de balk mag ten behoeve van de bevestiging van de slotplaat plaatselijk worden onderbroken. Het fiscaal blok moet in de lengterichting aan tenminste een zijde tussen de slotplaat en de zijwand kunnen worden geplaatst, zie afbeelding B.

    Afbeelding B

  • Bij voertuigen waar de scharnieren van de klep meer naar het midden van het voertuig zijn gelegen: de uitsparing zo dicht mogelijk bij de verbinding met de dragende constructie van de zijwanden aanvangt. De uitsparing in de balk mag ten behoeve van de bevestiging van de scharnieren plaatselijk worden onderbroken. Het blok moet in de lengterichting tussen of naast de scharnieren kunnen worden geplaatst, zie afbeelding C.

    Afbeelding C

  • Indien de achterdeur(en) of laadklep wordt aangepast, moet de aanpassing zoveel mogelijk over de volle breedte van de laadruimte worden uitgevoerd. De bovengenoemde criteria voor uitsnijdingen in balken zijn hier eveneens op van toepassing.

Overgangsbepaling
Het maken van een plaatselijke uitsparing in bijvoorbeeld een dwarsbalk of een deur of klep van ongeveer 20 cm waardoor het fiscale blok in de laadruimte past is met ingang van 1 augustus 1999 niet meer toegestaan. De tenaamstellingsdatum is hierbij in principe bepalend. Voor een individuele keuring betekent dit dat de keuring vóór 1 augustus 1999 moet zijn uitgevoerd en dat het voertuig gelijkertijd moet worden tenaamgesteld (het in bedrijfsvoorraad plaatsen is in dit geval dus niet toegestaan).

Extra aandachtspunten
Indien een andere constructie wordt toegepast dan hierboven is omschreven, moet de aanvrager tekeningen en foto's overleggen voor een individuele beoordeling door de Operationele Staf van de Divisie Voertuigtechniek van de RDW. De RDW stemt deze af met het Ministerie van Financiën en de douane. De kentekenaanvraag wordt op aanhouden gezet. Een eventueel Voorlopig kentekenbewijs wordt niet afgegeven.

Het is toegestaan om de vaste laadvloer gedeeltelijk opklapbaar te maken of hierin een luik aan te brengen indien dit noodzakelijk is om de voorgeschreven onderhoudswerkzaamheden te kunnen uitvoeren.


© 2011-2012 Cor Cuppen Handelsonderneming Nijmegen NL (3918/94172x)
Postbus 1485 • 6501 BL Nijmegen • Tel: 0031 24 378 61 05 • Fax: 0031 24 379 28 95 • Gsm: 0031 6 53 22 32 35
IBAN: NL94INGB0007233558 BIC: INGBNL2A • K.v.K. Centr. Gld. 10142946 • B.T.W.nr. NL 0782 62 501 B01